
Op 1 juli werd ik vroeg wakker met een soort klaarheid in mij.
De eerste helft van 2026 had mij uitgedaagd. Privé. Professioneel. Er waren dingen geweest die energie vroegen, dingen die mij hadden doen zoeken en opnieuw kiezen. Maar die ochtend voelde anders. Alsof de tweede helft van het jaar zich voor mij opende en ik dacht: oké, we zijn vertrokken.
Ik weet niet waarom mijn hoofd dat detail zo blijft vasthouden, maar het doet dat. Waarschijnlijk omdat het zo absurd is. Je denkt dat rampen beginnen met een donker voorgevoel. Met iets in je buik dat zegt: opletten vandaag.
Maar nee.
Ik was gaan wandelen met Lola, mijn kleine lieve Yoda met een vachtje het ene moment en een stekelige draak een seconde later. Mijn koelkast zat vol gezonde en evenwichtige voeding, die ik dinsdag was gaan halen in plaats van mijn gebruikelijke woensdag-food-winkel-ochtend, omdat ik klaar wou zijn voor mijn nieuwe hoofdstuk. Mijn goede voornemen om fitnessoefeningen te doen was gelukt. En na een heerlijke douche met essentiële oliën, proper gewassen haar en een lichaam dat rook naar bodylotion, startte ik achter mijn pc. De airco stond op, want het was al echt warm. Lo lag in haar gebruikelijke ochtendkrulletje in haar donut naast mij.
Alles lag netjes klaar voor mijn coaching later die middag. Mijn administratie was bijgewerkt, niet mijn leukste bezigheid, dus dat voelde al bijna als een kleine overwinning. Ik voelde mij helder. Klaar. Ons paleisje, onze thuis op de negende verdieping, lag erbij zoals ik het graag heb.
Het begin van een warme, mooie, productieve dag. Het soort ochtend waarop je luidop denkt dat het leven terug begint te stromen.
Om kwart over negen klopte de conciërge aan. Niet gebruikelijk, maar goed, een ongemak kan gebeuren. Ik zou een tijdje geen water hebben in mijn badkamer omdat een werkman, die al enkele maanden aan de parking aan het renoveren was, bij de laatste werkzaamheden een waterleiding had geraakt.
Ik dacht nog vrolijk: geen ramp, ik ben al gewassen. Dus ging ik even vrolijk terug in mijn bureautje achter de pc zitten. Nog geen dertien minuten later, vreemd hoe die dingen ineens blijven hangen, belde mijn sister-of-choice van de zevende verdieping. Dat alleen al was vreemd, want normaal appt ze. En ik zie haar berichten meestal pas later. “Je woont op ne postzegel, hoe is het mogelijk dat je nooit je gsm hoort!” Maar die ochtend dus wel. “Heb jij nog stroom?” Ik keek naar de printer. “Ah nee.”
En daar begon, achteraf gezien, een reeks toevalligheden die geen toevalligheden meer voelen wanneer je weet hoe dun de lijn tussen leven en dood die ochtend was.
Want zoals gezegd: normaal ga ik op woensdagochtend boodschappen doen en laat ik Lola een half uurtje alleen, zodat ze dat blijft oefenen. Maar die week was ik dinsdag al geweest, omdat ik vanaf woensdag aan mijn nieuwe hoofdstuk wou beginnen. Ook mijn sister-of-choice gaat op woensdagvoormiddag normaal naar haar bureau om documenten te halen, en dan is Peanut bij mij. Maar die ochtend had een werknemer zich ziek gemeld met migraine, waardoor ze niet hoefde te vertrekken. Ons wandelmoment is normaal om 10.30u. Maar omdat de elektriciteit was uitgevallen, gingen we een uur vroeger gaan wandelen, zodat alles opgelost zou zijn wanneer we terugkwamen.
Dus wat normaal anders liep, viel die ochtend, achteraf gezien, precies juist. Door die kleine verschuivingen, die op dat moment totaal onbelangrijk leken, leven Lola en ik nog.
Lola, die normaal een spelletje maakt van het aanlijnen, kwam die ochtend dadelijk. Een overwinning, dacht ik nog. Hondenhandtas rond, deur open, gsm nog in de hand. Ook dat is totaal niet mijn gewoonte, want na de uber-narcist laat ik mijn gsm thuis als ik met twee honden ga wandelen. Ik deed de deur open. En mijn gang was geen gang meer. Het was een stinkende muur van pikdonkere rook.
Hoe raar een mens soms reageert. Ik had afgesproken, dus ik ging naar het zevende. Terwijl een normaal denkend mens op dat moment zijn deur dichttrekt, weg van het gevaar. Nee. Deze koppige stier pakte Lola op, zette het licht van haar gsm aan en had maar één gedachte: ik heb afgesproken en ik ga. Totaal op instinct. Denken kwam niet meer. Gewoon gaan. Dankzij Django had mijn lichaam blijkbaar spiergeheugen gekweekt, want die bijna onbegaanbare trap in normale omstandigheden strompelde ik af, vallend en opstaand. Lola ergens in mijn armen. Mijn focus op dat kleine lichtstraaltje van mijn gsm.
Letterlijk happend naar lucht viel ik het zevende binnen, nadat de deur dadelijk openging na mijn gebonk. Haar volledig efficiënte zelf was mijn sister-of-choice al washandjes nat aan het maken, terwijl zij aan de lijn was met de bovenbuur die zei: ga dadelijk naar het achterste terras en doe alle deuren dicht. Het duurde enkele minuten en de kamers achter ons waren onzichtbaar door de stinkende zwarte rook. Daar stonden we met vier op het terras, ons nog altijd niet realiserend wat er aan de hand was. Ik had zelfs mijn coaching nog verzet naar vrijdag. Hoe een mens denkt op zo’n moment. Bizar.
De politie en brandweer waren er al, maar de bomen maakten het niet makkelijk om hun wagens juist op te stellen. Mijn focus lag alleen op dat brandweerbakje. Ik stond naar beneden te roepen dat ze ons moesten komen halen. En toen zei mijn sister-of-choice vol ongeloof: “Berit, dit is ernstig. Ze zijn mensen aan het reanimeren.” Daar stonden we dan. Letterlijk met onze rug tegen een gitzwarte muur.
De kracht die je op zo’n moment ontwikkelt, is heftig. In een fractie van een seconde rukte ik het touw en de beveiliging door naar het aansluitende terras. En daar kwam onze complementariteit weer naar boven. Zij efficiënt, maar niet echt van plan om na 57 minuten in het brandweerbakje te kruipen, want zeven is echt hoog. Ik, die normaal eerder freeze, zat in no time in dat bakje met Lo op mijn schoot te gillen dat ze er NU in moest. En daar zaten we. Naast elkaar, met onze hondjes op de schoot, in dat bakje tussen onbekende mensen die hun werk doen terwijl jouw leven letterlijk in hun handen ligt. Dat zagen we later op tv. Want op dat moment is je enige gedachte: ik wil grond. Ik wil weg van hier.
De volgende paar uur zijn flitsen. Rode Kruis-check. Ambulance in. Spoed. Bloedcheck op CO, die gelukkig oké was. En het enige wat ik wou, was terug naar Lo, P en mijn sister-of-choice. Liggend op het bed op spoed belde mijn zusje of ik oké was. Uhh. Ja. Weet ik niet. Ze is in haar auto gesprongen en me komen halen, de (b)engel, maar ik moest wachten op de arts om te mogen vertrekken. Ineens kwam er een vrouw naast mij zitten en begon ze filmpjes te tonen van mijn gebouw. Het was rampgebied. Er hadden al vijf mensen het niet overleefd. Ze toonde die filmpjes vol ongeloof. Ik vroeg haar of ze de dokter wou halen, want ik wou weg daar. “Oh ja,” zei ze. “Ik ben de dokter. Ik kom je papieren geven en je ontslaan. Je mag gaan. Stap maar door die deur.”
Mijn zusje heeft me ergens wandelend langs de kant opgepikt en heeft mijn zijde niet meer verlaten, ook al had ze het werkwijs ontzettend druk. Aangekomen op het provisoir crisiscentrum, recht tegenover ons gebouw dat intussen op een dorp van brandweer en politie leek, zaten we daar allemaal te wachten op nieuws. Of ik weet eigenlijk niet goed waarop. Tegen 21.30u, na het bezoek van de koning, premier en burgemeester, zette mijn zusje mij en Lo in haar auto en bracht ze ons naar haar huis.
Nog steeds verblijven we daar met vier. Zonder voorwaarden. Alleen met begrip en liefde. Liefde is dan een bed waar je mag liggen met je verbrande hoofd en waar je Loo’tje ook mag slapen. Iemand die vraagt of je iets gegeten hebt, ook al zit je maag zo hard in de knoop dat eten iets uit een ander leven lijkt. Een plek waar ieder op zijn eigen manier terug een beetje stabiliteit krijgt in de chaos die er nu heerst, want ondertussen is ook de verzekeringsoorlog begonnen.
Wijze les tussendoor: neem een DAS-verzekering om een onafhankelijke expert te kunnen aanstellen en zorg ervoor dat je bij een makelaar zit die niet gebonden is aan één maatschappij. Dat was in mijn geval gelukkig zo. Midden in de chaos heeft een goede vriend van, wederom, mijn zusje al mijn dossiers overgenomen. Dus moest je bij een makelaar zitten die aan een grote maatschappij gebonden is: laat me iets weten. Ik geef je met plezier de gegevens van een top onafhankelijke makelaar.
De eerste weken was ik vreemd genoeg vrij oké. Niet echt oké, maar functioneel. Alsof ik in een slechte film terecht was gekomen en iemand mij een rol had gegeven: bellen, antwoorden, papieren zoeken, experten, verzekeringen, dokters, crisisvergaderingen, vragen, wachten, weer bellen, weer uitleggen, weer rechtstaan.
Sinds enkele dagen, ben ik ingestort. Alsof mijn lichaam zei: nu ben je lang genoeg verdoofd geweest. Ik voel mij angstig. Benepen. Onwaarschijnlijk moe. Leeg en tegelijk overvol. Alsof mijn hoofd nog altijd lijstjes wil maken, maar mijn lichaam alleen nog maar in een hoek wil gaan liggen en zeggen: ik kan niet meer. En daar schaam ik mij ergens voor, zelfs nu ik weet dat ik daar niets voor te schamen heb. Wij zijn onze thuis kwijt. Onze paleisjes op de zevende en negende verdieping. De plekken waar we gelukkig waren. Waar onze dagen begonnen. Waar onze spullen lagen op een manier die alleen voor ons logisch was.
De dingen die voor een ander “objecten” zijn, waren voor ons stukjes van ons leven. Zoals de as van Django. Onbeduidend misschien in een puinhoop van as, maar voor mij onvervangbaar. As die op het juiste plekje bij zijn zusje terecht moet komen. Alles waar we zo hard aan gewerkt hadden, ligt letterlijk in as. En dat doet iets met een mens. Want een thuis verliezen is niet alleen een adres verliezen. Het is je ochtend kwijt zijn. Je geur. Je ritme. De plek waar je achteloos je sleutels legt. De stoel waar je tas altijd hangt. De hoek waar je hondenkind zich oprolt. Het licht op een bepaald moment van de dag. De vanzelfsprekendheid dat je ergens binnenkomt en denkt: hier hoor ik.
Die vanzelfsprekendheid is weg. Nu leven we tussen tassen, telefoons, hulp, dankbaarheid, vermoeidheid en de vraag waar we de komende maanden kunnen landen. De zoektocht naar een tijdelijke thuis loopt nog. En ik voel dat er iets in mij zal zakken wanneer we weten waar we even terechtkunnen. Niet omdat dat alles oplost. Dat doet het niet. Maar omdat een mens een plek nodig heeft waar het lichaam kan beginnen geloven dat het gevaar voorbij is.
En dan zijn daar Lola en Peanut. Broer en zus by choice, ook al was dat niet helemaal hun eigen keuze. Die twee doen het onwaarschijnlijk goed. Alsof ze ergens diep in hun kleine hondenlijven besloten hebben: als onze mensen bewegen, bewegen wij mee. Ze passen zich aan, verhuizen mee, zoeken nieuwe manden, nieuwe geuren, nieuwe routines.
Soms kijk ik naar Lola en denk ik: jij bent mijn gezin. Jij bent mijn kleine queen of kisses. Jij lag die ochtend nog naast mij in je donut en een half uur later droeg ik je door de rook. Dat beeld krijg ik niet uit mijn lichaam. En ook niet uit mijn geest.
En dan is er het besef dat er zoveel mensen willen helpen. Mensen die begrijpen dat ik niet gewoon “even verhuisd” ben, maar uit mijn leven werd gerukt. Soms voelt het bijna als een avontuur. Dan komt er een soort vreemd vuur in mij. Dan denk ik: wij zijn er nog, komaan, we gaan dit doen. Dan zie ik hoe sterk een mens blijkbaar kan zijn wanneer er geen keuze meer is.
En soms, een uur later, wil ik alleen maar huilen. Ik schrijf dit nu niet omdat ik alles al begrijp. Ik schrijf dit omdat ik de voorbije weken stil was en omdat stilte soms verkeerd gelezen wordt. Alsof er niets gebeurt. Alsof iemand even afwezig is. Terwijl mijn hele leven in brokstukken lag en ik ondertussen probeerde te ademen.
Vijfentwintig dagen na de rook ben ik geen herboren versie van mezelf. Ik ben moe. Bang. Gedragen. Zoekend. Maar levend en met nieuwe perspectieven. En vandaag is dat het enige eerlijke wat ik kan zeggen.
















0 Comments